Klant login
Log in
Registreer
Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
- Bekijk bestelling en verzendstatus
- Bekijk bestelgeschiedenis
- Reken sneller af
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Google Translate:
Mayzent 0.25 mg filmomh. tabl. 12
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 12,80 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 8,50 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker. Dit kan even duren.
Belangrijke informatie
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
Op bestelling
Infecties Risico op infecties Een essentieel farmacodynamisch effect van siponimod is een dosis-afhankelijke afname van het aantal perifere lymfocyten tot 20‑30% van de baselinewaarden. Dit is het gevolg van de reversibele isolatie van lymfocyten in het lymfeweefsel (zie rubriek 5.1). De effecten van siponimod op het immuunsysteem kunnen het risico op infecties verhogen (zie rubriek 4.8). Vóór de start van de behandeling moet een recent compleet bloedbeeld (CBC) (d.w.z. van de laatste 6 maanden of na het stopzetten van een eerdere behandeling) beschikbaar zijn. Periodiek bepalen van het CBC wordt ook aanbevolen 3-4 maanden na de start van de behandeling en minstens jaarlijks daarna, en in geval van verschijnselen van infectie. Een absoluut aantal lymfocyten <� 0,2 x 10^9/l, indien bevestigd, moet leiden tot een dosisverlaging tot 1 mg, omdat in klinische studies de dosis siponimod verlaagd werd bij patiënten met absolute aantallen lymfocyten <� 0,2 x 10^9/l. Bevestigde absolute aantallen lymfocyten <� 0,2 x 10^9/l bij een patiënt die al siponimod 1 mg krijgt, dient te leiden tot onderbreking van de behandeling met siponimod. Wanneer het niveau van 0,6 x 10^9/l wordt bereikt, kan herstart van siponimod overwogen worden. Het starten van de behandeling dient uitgesteld te worden bij patiënten met een ernstige actieve infectie totdat deze is verdwenen. Omdat residuele farmacodynamische effecten, zoals verlagende effecten op het perifere aantal lymfocyten, 3 tot 4 weken kunnen aanhouden na stopzetting van de behandeling is waakzaamheid voor infectie geboden tijdens deze periode (zie de rubriek hieronder over 'Staken van de behandeling met siponimod'). Patiënten dienen geïnstrueerd te worden om symptomen van infectie direct te melden aan hun arts. Doeltreffende diagnostische en therapeutische strategieën dienen te worden aangewend bij patiënten met symptomen van infectie tijdens de behandeling. Onderbreking van de behandeling met siponimod moet worden overwogen als een patiënt een ernstige infectie ontwikkelt. Gevallen van cryptokokkenmeningitis (CM) zijn gemeld voor siponimod. Bij patiënten met klachten en verschijnselen die passen bij CM dient onmiddellijk diagnostisch onderzoek te worden gedaan. De behandeling met siponimod dient te worden gestaakt totdat CM is uitgesloten. Als CM wordt vastgesteld, dient een gepaste behandeling opgestart te worden. Progressieve multifocale leuko-encefalopathie Gevallen van progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML) zijn gemeld voor siponimod (zie rubriek 4.8). Artsen dienen alert te zijn op klinische symptomen of 'Magnetic Resonance Imaging' (MRI) bevindingen die kunnen wijzen op PML. Als PML vermoed wordt, dient de behandeling met siponimod te worden gestaakt totdat PML is uitgesloten. Als PML bevestigd wordt, dient de behandeling met siponimod te worden stopgezet. Immuunreconstitutie-ontstekingssyndroom (Immune reconstitution inflammatory syndrome, IRIS) is gemeld bij patiënten die werden behandeld met sfingosine-1-fosfaat (S1P)-receptormodulatoren, waaronder siponimod, die PML ontwikkelden en vervolgens de behandeling staakten. IRIS presenteert zich als een klinische achteruitgang van de toestand van de patiënt die snel kan zijn, kan leiden tot ernstige neurologische complicaties of overlijden, en vaak gepaard gaat met kenmerkende veranderingen op MRI. De tijd tot aanvang van IRIS bij patiënten met PML was meestal weken tot maanden na stopzetting van de S1P-receptormodulator. Er dient te worden gecontroleerd op de ontwikkeling van IRIS en er moet een passende behandeling van de bijbehorende ontsteking worden uitgevoerd. Herpesvirusinfectie Gevallen van een herpesvirusinfectie (waaronder gevallen van meningitis of meningo-encefalitis veroorzaakt door varicellazostervirussen [VZV]) zijn op elk moment tijdens de behandeling met siponimod opgetreden. Als herpes meningitis of meningo-encefalitis optreden, moet siponimod worden stopgezet en moet een geschikte behandeling voor de desbetreffende infectie worden toegediend. Patiënten zonder een door een arts bevestigde voorgeschiedenis van varicella of zonder een gedocumenteerde volledige vaccinatie tegen VZV dienen getest te worden op antilichamen tegen VZV voor de start van de behandeling met siponimod (zie rubriek 'Vaccinatie' hieronder). Vaccinatie Een volledige vaccinatie van antilichaam‑negatieve patiënten met het varicellavaccin wordt aanbevolen vóór de start van de behandeling met siponimod. De start van de behandeling dient met 1 maand uitgesteld te worden om het volledige effect van de vaccinatie te laten optreden (zie rubriek 4.8). Het gebruik van levend verzwakte vaccins dient vermeden te worden wanneer patiënten siponimod gebruiken en gedurende 4 weken na het stoppen van de behandeling (zie rubriek 4.5). Andere soorten vaccins kunnen minder effectief zijn wanneer ze toegediend worden tijdens de behandeling met siponimod (zie rubriek 4.5). Het wordt aanbevolen de behandeling 1 week vóór de geplande vaccinatie stop te zetten en tot 4 weken daarna. Wanneer de behandeling met siponimod wordt stopgezet voor vaccinatie, dient de mogelijkheid van opnieuw optreden van ziekteactiviteit overwogen te worden (zie hieronder rubriek "Staken van de behandeling met siponimod"). Gelijktijdige behandeling met antineoplastica, immunomodulentia of immunosuppressiva Bij het gelijktijdig gebruik van antineoplastische, immunomodulerende of immunosuppressieve behandelingen (waaronder corticosteroïden) is voorzichtigheid geboden vanwege het risico op additieve effecten op het immuunsysteem tijdens een dergelijke behandeling (zie rubriek 4.5). Macula‑oedeem Macula‑oedeem met of zonder visuele symptomen werd vaker gemeld in de klinische fase III‑studie bij patiënten behandeld met siponimod (1,8%) dan met placebo (0,2%) (zie rubriek 4.8). Het merendeel van de gevallen trad op in de eerste 3‑4 maanden van de behandeling. Daarom wordt 3‑4 maanden na de start van de behandeling een oogheelkundig onderzoek aanbevolen. Omdat gevallen van macula‑oedeem ook zijn opgetreden bij langdurige behandeling, dienen patiënten gezichtsstoornissen te rapporteren op elk moment gedurende de behandeling met siponimod en wordt een onderzoek van de oogfundus, inclusief macula, aanbevolen. Behandeling met siponimod dient niet opgestart te worden bij patiënten met macula-oedeem totdat dit verholpen is. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van siponimod bij patiënten met een voorgeschiedenis van diabetes mellitus, uveïtis of een onderliggende/gelijktijdige retina‑aandoening vanwege een mogelijk verhoogd risico op macula‑oedeem (zie rubriek 4.8). Het wordt aanbevolen om deze patiënten een oogheelkundig onderzoek te laten ondergaan voorafgaand aan de start van de behandeling en regelmatig tijdens de behandeling met siponimod, om macula‑oedeem op te sporen. Voortzetting van de behandeling met siponimod bij patiënten met macula‑oedeem is niet onderzocht. Het wordt aanbevolen de behandeling met siponimod te staken als een patiënt macula‑oedeem ontwikkelt. Bij de beslissing om de behandeling met siponimod al dan niet te herstarten na het verdwijnen van het macula-oedeem, dienen de mogelijke voor‑ en nadelen voor de individuele patiënt overwogen te worden. Bradyaritmie Het initiëren van een behandeling met siponimod resulteert in een tijdelijke afname van de hartslag en kan ook gepaard gaan met vertragingen van de atrioventriculaire geleiding (zie rubriek 4.8 en 5.1). Daarom wordt een titratieschema toegepast aan het begin van de behandeling om de onderhoudsdosis op dag 6 te bereiken (zie rubriek 4.2). De daling van de hartslag start binnen het uur na de eerste titratiedosis en deze daling is op dag 1 maximaal na ongeveer 3 tot 4 uur. Bij voortzetting van de dosistitratie worden meer dalingen van de hartslag gezien in de daaropvolgende dagen, met een maximale verlaging ten opzichte van dag 1 (baseline) op dag 5 tot 6. De grootste dagelijkse afname van de absolute hartslag per uur na toediening, werd gezien op dag 1, waarbij de hartslag gemiddeld 5 tot 6 slagen per minuut (bpm) afnam. De dalingen na toediening in de daaropvolgende dagen zijn minder uitgesproken. Bij een continue toediening neemt de hartslag na dag 6 weer toe en bereikt deze placebowaarden binnen 10 dagen na de start van de behandeling. Hartslagfrequenties van lager dan 40 bpm zijn zelden gezien. De vertragingen van de atrioventriculaire geleiding uitten zich in de meeste gevallen als eerstegraads atrioventriculaire (AV) blokken (verlengd PR‑interval op het elektrocardiogram). In klinische studies zijn tweedegraads AV‑blokken, doorgaans type Mobitz-I (Wenckebach), gezien bij minder dan 1,7% van de patiënten bij de start van de behandeling. De meeste gevallen van bradyaritmische effecten of vertragingen van de atrioventriculaire geleiding waren asymptomatisch, tijdelijk en verdwenen binnen 24 uur. Het was niet nodig de behandeling te staken. Mochten er post-dosissymptomen optreden (duizeligheid, niet-cardiale pijn op de borst en hoofdpijn), dan moet een passende klinische behandeling worden gestart en moet de monitoring worden voortgezet totdat de symptomen zijn verdwenen. Indien nodig, kan de afname van de hartslag, geïnduceerd door siponimod, worden tenietgedaan door parenterale doses atropine of isoprenaline. Aanbeveling voor de start van de behandeling bij patiënten met bepaalde bestaande hartaandoeningen Als voorzorgsmaatregel dienen patiënten met de volgende hartaandoeningen gedurende een periode van 6 uur na de eerste dosis siponimod te worden gecontroleerd op klachten en verschijnselen van bradycardie (zie ook rubriek 4.3): sinusbradycardie (hartslag <� 55 bpm), voorgeschiedenis van eerste‑ of tweedegraads AV‑blok [type Mobitz-I], voorgeschiedenis van myocardinfarct, voorgeschiedenis van hartfalen (patiënten met NYHAklasse I en II). Het wordt aanbevolen dat deze patiënten een elektrocardiogram (ECG) ondergaan vóór toediening en aan het einde van de observatieperiode. Als na toediening bradyaritmie of geleidingsgerelateerde klachten optreden of als het ECG 6 uur na toediening een nieuw tweedegraads of hoger AV‑blok laat zien of een QTc ≥ 500 msec, dient een geschikte behandeling te worden geïnitieerd en de observatie voortgezet te worden totdat de klachten/bevindingen zijn verdwenen. Als een farmacologische behandeling nodig is, dient de monitoring gedurende de nacht vervolgd te worden en de controleperiode van 6 uur herhaald te worden na de tweede dosis. Vanwege het risico op ernstige hartritmestoornissen of significante bradycardie dient siponimod niet te worden gebruikt bij patiënten met: een voorgeschiedenis van symptomatische bradycardie of terugkerende syncope, ongecontroleerde hypertensie, of ernstige onbehandelde slaapapneu. Bij deze patiënten dient de behandeling met siponimod alleen te worden overwogen indien de verwachte voordelen opwegen tegen de potentiële risico's en advies van een cardioloog dient te worden ingewonnen vóór de start van de behandeling om de meest geschikte monitoringstrategie te bepalen. Een grondige QT‑studie toonde geen significant direct QT‑verlengend effect en siponimod werd niet in verband gebracht met een aritmogeen potentieel door QT‑verlenging. De start van de behandeling kan leiden tot een daling van de hartslag en indirecte verlenging van het QT‑interval tijdens de titratiefase. Siponimod werd niet onderzocht bij patiënten met een significante QT‑verlenging (QTc > 500 msec) of bij patiënten die werden behandeld met geneesmiddelen die de QT verlengen. Als behandeling met siponimod wordt overwogen bij patiënten met een al bestaande significante QT‑verlenging of die al behandeld worden met QT‑verlengende geneesmiddelen met bekende aritmogene eigenschappen, dient advies van een cardioloog te worden ingewonnen voor de start van de behandeling om de meest geschikte monitoringstrategie tijdens de start van de behandeling te bepalen. Siponimod is niet onderzocht bij patiënten met aritmieën die behandeling vereisen met antiaritmica van klasse Ia (bijv. kinidine, procaïnamide) of klasse III (bijv. amiodaron, sotalol). Klasse Ia- en klasse III-antiaritmica zijn geassocieerd met gevallen van torsade de pointes bij patiënten met bradycardie. Aangezien de start van de behandeling leidt tot een verlaagde hartslag, dient siponimod niet gelijktijdig met deze geneesmiddelen gebruikt te worden tijdens de start van de behandeling. De ervaring is beperkt bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met hartslagverlagende calciumkanaalblokkers (zoals verapamil of diltiazem), of andere stoffen die de hartslag kunnen verlagen (bijv. ivabradine of digoxine) aangezien deze geneesmiddelen niet zijn bestudeerd bij patiënten die siponimod kregen in klinische onderzoeken. Gelijktijdig gebruik van deze stoffen bij de start van de behandeling kan gepaard gaan met ernstige bradycardie en hartblok. Vanwege het mogelijke additieve effect op de hartslag dient behandeling met siponimod in het algemeen niet te worden gestart bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met deze stoffen (zie rubriek 4.5). Bij dergelijke patiënten dient behandeling met siponimod alleen te worden overwogen als de verwachte voordelen opwegen tegen de potentiële risico's. Als gelijktijdige behandeling met een van de hierboven genoemde stoffen wordt overwogen tijdens de start van de behandeling met siponimod, dient advies van een cardioloog te worden ingewonnen betreffende het overschakelen op een geneesmiddel dat de hartslag niet verlaagt of het bepalen van een geschikte monitoring bij de start van de behandeling. Bradyaritmische effecten zijn sterker aanwezig wanneer siponimod wordt toegevoegd aan een behandeling met bètablokkers. Voor patiënten die een stabiele dosis bètablokkers krijgen, dient rekening te worden gehouden met de hartslag in rust voordat de behandeling gestart wordt. Als de hartslag in rust >50 bpm is bij een chronische behandeling met bètablokkers kan siponimod gestart worden. Als de hartslag in rust ≤50 bpm is, dient de behandeling met bètablokkers onderbroken te worden totdat de hartslag weer op de baselinewaarde van >50 bpm is. De behandeling met siponimod kan dan worden gestart en de behandeling met de bètablokker kan opnieuw worden gestart nadat siponimod getitreerd is tot de beoogde onderhoudsdosis (zie rubriek 4.5). Leverfunctie Recente (d.w.z. van de laatste 6 maanden) transaminase‑ en bilirubinewaarden dienen beschikbaar te zijn voor het starten van de behandeling met siponimod. In de klinische fase III‑studie werden alanineaminotransferase (ALAT)- of aspartaataminotransferase (ASAT)-waarden gezien van drie keer de ULN (upper limit of normal) bij 5,6% van de patiënten die behandeld werden met siponimod 2 mg in vergelijking met 1,5% van de patiënten die placebo kregen (zie rubriek 4.8). In klinische studies werd de behandeling stopgezet als de verhoging groter was dan een 3-voudige toename en de patiënt klachten had met betrekking tot de leverfunctie of als de verhoging groter was dan een 5‑voudige toename. In het klinische fase III-onderzoek voldeed 1% van alle stopzettingen aan een van deze criteria. Bij patiënten die symptomen ontwikkelen die duiden op een gestoorde leverfunctie dienen de leverenzymen gecontroleerd te worden en de behandeling met siponimod gestaakt te worden als er een significante leverbeschadiging wordt bevestigd. Of de behandeling kan worden hervat hangt af van het kunnen vaststellen van een andere oorzaak voor de leverbeschadiging en van de afweging van de voordelen voor de patiënt bij hervatting van de behandeling versus de risico's op terugkeer van de leverfunctiestoornis. Hoewel er geen data beschikbaar zijn waaruit geconcludeerd kan worden dat bij patiënten met een bestaande leveraandoening sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van verhoogde leverfunctietestwaarden bij het gebruik van siponimod, is voorzichtigheid geboden bij patiënten met een voorgeschiedenis van een significante leveraandoening. Huidkanker Basaalcelcarcinoom (BCC) en andere huidtumoren, waaronder plaveiselcelcarcinoom (PCC), en maligne melanoom, zijn gemeld bij patiënten die met siponimod werden behandeld, vooral bij patiënten met een langere behandelingsduur (zie rubriek 4.8). Huidonderzoek wordt aanbevolen bij alle patiënten bij de start van de behandeling en daarna elke 6 tot 12 maanden met inachtneming van klinische beoordeling. Zorgvuldige huidonderzoeken moeten ook bij een langere behandelingsduur worden voortgezet. Patiënten moeten worden geadviseerd om verdachte huidlaesies onmiddellijk aan hun arts te melden. Patiënten die behandeld worden met siponimod, dienen het dringend advies te krijgen zich niet zonder bescherming bloot te stellen aan zonlicht. Deze patiënten mogen geen gelijktijdige fototherapie met UV‑B‑straling of PUVA‑fotochemotherapie krijgen. Onverwachte neurologische of psychiatrische klachten/verschijnselen Zeldzame gevallen van posterieur reversibel encefalopathie-syndroom (PRES) zijn gemeld voor een andere S1P‑receptormodulator. Dergelijke voorvallen zijn niet gemeld tijdens de klinische studies met siponimod. Als een patiënt die behandeld wordt met siponimod echter onverwachte neurologische of psychische klachten/verschijnselen (bijv. cognitieve stoornissen, gedragsveranderingen, corticale visuele stoornissen of andere neurologische corticale klachten/verschijnselen of klachten/verschijnselen die wijzen op een verhoging van de intracraniale druk) of versnelde neurologische achteruitgang ontwikkelt, dient direct een volledig lichamelijk en neurologisch onderzoek gepland te worden en een MRI overwogen te worden. Eerdere behandeling met immunosuppressieve of immunomodulerende therapieën Bij het overschakelen van een andere ziektemodificerende behandeling moet rekening worden gehouden met de halfwaardetijd en het werkingsmechanisme van de andere therapie om een additief immuuneffect te voorkomen, terwijl tegelijkertijd het risico van ziektereactivering geminimaliseerd dient te worden. Het vaststellen van het aantal perifere lymfocyten (CBC) wordt aanbevolen voorafgaand aan de start van siponimod, om ervoor te zorgen dat de immuunsysteemeffecten van de eerdere therapie (d.w.z. cytopenie) zijn verdwenen. Vanwege de eigenschappen en de duur van de immunosuppressieve effecten van alemtuzumab die in de productinformatie beschreven staan, wordt starten van de behandeling met siponimod na alemtuzumab niet aanbevolen. Over het algemeen kan men direct na het stopzetten van bèta‑interferon of glatirameeracetaat starten met siponimod. Effecten op de bloeddruk Patiënten met hypertensie, die ondanks geneesmiddelen niet onder controle was, waren uitgesloten van deelname aan klinische studies. Speciale zorg is geïndiceerd als patiënten met hypertensie die niet onder controle is, worden behandeld met siponimod. In de klinische fase III‑studie met SPMS-patiënten werd hypertensie vaker gemeld bij patiënten die behandeld werden met siponimod (12,6%) dan bij patiënten die placebo kregen (9,0%). De behandeling met siponimod leidde tot een stijging van de systolische en diastolische bloeddruk. Deze stijging begon snel na de start van de behandeling en het maximale effect werd bereikt na ongeveer 6 maanden behandeling (systolisch 3 mmHg, diastolisch 1,2 mmHg) en bleef daarna stabiel. Het effect hield aan bij voortgezette behandeling. De bloeddruk dient regelmatig gecontroleerd te worden tijdens de behandeling met siponimod. CYP2C9‑genotype Voor de start van de behandeling met siponimod moet bij patiënten het genotype voor CYP2C9 worden bepaald om hun metaboliseerderstatus voor CYP2C9 te bepalen (zie rubriek 4.2). Patiënten die homozygoot zijn voor CYP2C9*3 (CYP2C9*3*3‑genotype: ongeveer 0,3 tot 0,4% van de populatie) mogen niet met siponimod behandeld worden. Het gebruik van siponimod bij deze patiënten leidt tot aanzienlijk verhoogde plasmawaarden van siponimod. De aanbevolen onderhoudsdosis is 1 mg per dag bij patiënten met een CYP2C9*2*3‑genotype (1,4‑1,7% van de populatie) en bij patiënten met een *1*3‑genotype (9‑12% van de populatie), om een verhoogde blootstelling aan siponimod te vermijden (zie rubriek 4.2 en 5.2). Vrouwen die zwanger kunnen worden Vanwege het risico voor de foetus is siponimod gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap en bij vrouwen die zwanger kunnen worden en die geen effectieve anticonceptie gebruiken. Vrouwen die zwanger kunnen worden, moeten vóór aanvang van de behandeling worden geïnformeerd over dit risico voor de foetus en een negatief zwangerschapstestresultaat hebben. Zij moeten effectieve anticonceptie gebruiken tijdens de behandeling en gedurende minstens 10 dagen na het staken van de behandeling (zie rubriek 4.3 en 4.6). Staken van de behandeling met siponimod Ernstige exacerbatie (relapse, schub, opstoot) van de ziekte, waaronder ziekterebound, is zelden gemeld na het staken van een andere S1P‑receptormodulator. De mogelijkheid van ernstige exacerbatie van de ziekte na het stoppen van de behandeling met siponimod dient in acht genomen te worden. Patiënten dienen gecontroleerd te worden op relevante verschijnselen van mogelijk ernstige exacerbatie of terugkeer van hoge ziekteactiviteit bij het staken van de behandeling met siponimod en indien nodig dient een geschikte behandeling te worden ingesteld. Nadat de behandeling met siponimod is stopgezet, blijft siponimod nog maximaal 10 dagen in het bloed. Het starten van andere behandelingen tijdens deze periode zal leiden tot gelijktijdige blootstelling aan siponimod. Na het stoppen van de behandeling met siponimod in het kader van PML, wordt aanbevolen om de patiënt te controleren op de ontwikkeling van immuunreconstitutie-ontstekingssyndroom (PML-IRIS) (zie de rubriek 'Progressieve multifocale leuko-encefalopathie' hierboven). Bij het merendeel van de SPMS‑patiënten (90%) keert het lymfocytenaantal terug naar het normale bereik binnen 10 dagen na het stoppen van de behandeling. Residuele farmacodynamische effecten, zoals verlagende effecten op het perifere lymfocytenaantal, kunnen echter aanhouden tot maximaal 3‑4 weken na de laatste dosis. Gebruik van immunosuppressiva in deze periode kan resulteren in een additief effect op het immuunsysteem. Daarom is voorzichtigheid geboden gedurende 3 tot 4 weken na de laatste dosis. Verstoring van hematologische testen Aangezien siponimod het aantal lymfocyten in het bloed vermindert door herdistributie in secundaire lymfoïde organen, kan een bepaling van het aantal lymfocyten in het perifere bloed niet gebruikt worden om de status van de lymfocyten‑subsets vast te stellen van een met siponimod behandelde patiënt. Laboratoriumtesten waarvoor circulerende mononucleaire cellen nodig zijn, vereisen grotere bloedvolumes vanwege afname van het aantal circulerende lymfocyten. Hulpstoffen De tabletten bevatten sojalecithine. Patiënten die overgevoelig zijn voor pinda's of soja mogen siponimod niet gebruiken (zie rubriek 4.3). De tabletten bevatten lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose‑intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose‑galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
Mayzent is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met secundaire progressieve multiple sclerose (SPMS) met actieve ziekte gedefinieerd door exacerbaties (relapses, schubs, opstoten) of kenmerken van ontstekingsactiviteit aangetoond door beeldvormende technieken (zie rubriek 5.1).
Mayzent 0,25 mg filmomhulde tabletten
Elke filmomhulde tablet bevat siponimod-fumaarzuur overeenkomend met 0,25 mg siponimod.
Hulpstoffen met bekend effect Elke tablet bevat 59,1 mg lactose (als monohydraat) en 0,092 mg sojalecithine.
Mayzent 1 mg filmomhulde tabletten
Elke filmomhulde tablet bevat siponimod-fumaarzuur overeenkomend met 1 mg siponimod.
Hulpstoffen met bekend effect Elke tablet bevat 58,3 mg lactose (als monohydraat) en 0,092 mg sojalecithine.
Mayzent 2 mg filmomhulde tabletten
Elke filmomhulde tablet bevat siponimod-fumaarzuur overeenkomend met 2 mg siponimod.
Hulpstoffen met bekend effect Elke tablet bevat 57,3 mg lactose (als monohydraat) en 0,092 mg sojalecithine.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen? Gebruikt u naast Mayzent nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u binnenkort andere geneesmiddelen gaat gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Als u een van de volgende geneesmiddelen of therapieën gebruikt of krijgt, vertel dat dan aan uw arts:
• geneesmiddelen voor een onregelmatige hartslag, zoals amiodaron, procaïnamide, kinidine of sotalol. Uw arts kan besluiten Mayzent niet aan u voor te schrijven, omdat het de effecten op uw onregelmatige hartslag kan versterken.
• geneesmiddelen die de hartslag vertragen, zoals diltiazem of verapamil (die behoren tot een groep geneesmiddelen die calciumkanaalblokkers worden genoemd), digoxine of ivabradine. Omdat Mayzent ook uw hartslag kan vertragen in de eerste dagen van de behandeling, zal uw arts u doorverwijzen naar een hartspecialist wanneer uw geneesmiddelen veranderd moeten worden. Als u een bètablokker gebruikt, zoals atenolol of propranolol, kan uw arts u vragen om tijdelijk uw behandeling met de bètablokker te stoppen totdat u uw volledige dagelijkse dosis Mayzent heeft bereikt.
• geneesmiddelen die invloed hebben op het immuunsysteem, zoals chemotherapie, immunosuppressiva of andere geneesmiddelen voor de behandeling van MS. Uw arts kan u vragen te stoppen met het gebruik van deze middelen om een groter effect op het immuunsysteem te voorkomen.
• vaccins. Vraag eerst advies aan uw arts als u een vaccin moet krijgen. Tijdens en gedurende 4 weken na het stoppen van de behandeling met Mayzent mag u bepaalde soorten vaccins (die levend verzwakte vaccins worden genoemd) niet krijgen, omdat deze de infectie kunnen.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Ernstige bijwerkingen Vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers) Huiduitslag met kleine met vloeistof gevulde blaren die verschijnen op rood geworden huid (verschijnselen van een virale infectie die herpes zoster wordt genoemd en die ernstig kan zijn) Een type huidkanker genaamd basaalcelcarcinoom (BCC) dat vaak verschijnt als een parelachtige knobbel, maar het kan ook andere vormen aannemen Koorts, zere keel en/of mondzweren vanwege een infectie (lymfopenie) Epileptische aanvallen, stuipen Stoornissen in het gezichtsvermogen zoals een schaduw of een blinde vlek in het middelpunt van uw gezichtsvermogen, wazig zien, problemen met het zien van kleuren of details (verschijnselen van macula‑oedeem, een zwelling in het maculaire gebied van het netvlies achterin uw oog) Onregelmatige hartslag (atrioventriculair blok) Trage hartslag (bradycardie)
Soms (komen voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers) Een type huidkanker genaamd plaveiselcelcarcinoom die eruit kan zien als een hard, rood knobbeltje, een zweer met een korst of een nieuwe zweer op een bestaand litteken Een vorm van huidkanker die kwaadaardig melanoom wordt genoemd en die zich meestal ontwikkelt uit een ongewone moedervlek. Mogelijke tekenen van melanoom zijn moedervlekken die in de loop van de tijd van grootte, vorm, hoogte of kleur kunnen veranderen, of nieuwe moedervlekken. De moedervlekken kunnen jeuken, bloeden of zweren.
Zelden (komen voor bij minder dan 1 op de 1.000 gebruikers) Een herseninfectie die progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML) genoemd wordt. De klachten bij PML kunnen lijken op die van MS, zoals zwakte, veranderingen in uw gezichtsvermogen, geheugenverlies, moeite met nadenken of moeite met lopen. Ontstekingsaandoening na het stoppen van de behandeling met Mayzent (bekend als immuunreconstitutie-ontstekingssyndroom of IRIS [Immune reconstitution inflammatory syndrome]).
Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald): Een soort schimmelinfectie (cryptokokkeninfecties) of virusinfecties (veroorzaakt door het herpes- of varicellazostervirus), inclusief hersenvliesontsteking en/of hersenontsteking (encefalitis) met klachten zoals hoofdpijn samen met een stijve nek, gevoeligheid voor licht, misselijk gevoel of verward voelen.
Als u een van deze bijwerkingen krijgt, neem dan onmiddellijk contact op met uw arts.
Andere bijwerkingen Andere bijwerkingen zijn onder meer de bijwerkingen die hieronder worden vermeld. Vertel het uw arts of apotheker als een van deze bijwerkingen ernstig wordt.
Zeer vaak (komen voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers) hoofdpijn hoge bloeddruk (hypertensie), soms met klachten als hoofdpijn en duizeligheid uitslagen van bloedtesten die wijzen op verhoogde waarden van leverenzymen
Vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers) nieuwe moedervlekken duizeligheid onwillekeurig schudden van het lichaam (tremor) diarree misselijkheid pijn in handen of voeten gezwollen handen, enkels, benen of voeten (perifeer oedeem) algeheel gevoel van zwakte (asthenie) uitslagen van longfunctietesten die wijzen op een verminderde werking van de longen
Het melden van bijwerkingen Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts of apotheker. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks melden (zie details hieronder). Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
België Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten www.fagg.be Afdeling Vigilantie: Website: www.eenbijwerkingmelden.be e-mail: adr@fagg-afmps.be
-
U bent allergisch voor siponimod, pinda's, soja of een van de andere stoffen in dit geneesmiddel.
-
U heeft een verminderde weerstand (immunodeficiëntiesyndroom).
-
U heeft ooit een zeer zeldzame herseninfectie (progressieve multifocale leuko-encefalopathie) of een soort schimmelinfectie in de hersenen (cryptokokkenhersenvliesontsteking) gehad.
-
U heeft een actieve kanker.
-
U heeft ernstige leverproblemen.
-
U heeft, in de afgelopen 6 maanden, een hartaanval, instabiele angina pectoris (een beklemmend, drukkend, pijnlijk gevoel op de borst), beroerte of bepaalde vormen van hartfalen gehad.
-
U heeft bepaalde vormen van onregelmatige of afwijkende hartslag (hartritmestoornis) en u heeft geen pacemaker.
-
Uit resultaten van bloedtesten blijkt dat uw lichaam dit geneesmiddel onvoldoende kan afbreken (zie 'Bloedtesten voor en tijdens de behandeling' hieronder).
-
U bent zwanger of zou zwanger kunnen worden en u gebruikt geen effectieve anticonceptie.
Gebruik Mayzent niet tijdens de zwangerschap, als u probeert zwanger te worden of als u een vrouw bent die zwanger kan worden en geen effectieve anticonceptie gebruikt. Als Mayzent wordt gebruikt tijdens de zwangerschap, kan dit schadelijk zijn voor de ongeboren baby. Als u een vrouw bent die zwanger kan worden, zal uw arts u vertellen wat het risico is voordat u start met de behandeling met Mayzent en u vragen of u een zwangerschapstest wilt doen om er zeker van te zijn dat u niet zwanger bent. Om te voorkomen dat u zwanger wordt, moet u effectieve anticonceptie gebruiken terwijl u Mayzent gebruikt en gedurende ten minste 10 dagen nadat u ermee gestopt bent. Vraag uw arts naar betrouwbare anticonceptiemethoden.
Neem onmiddellijk contact op met uw arts als u toch zwanger wordt terwijl u Mayzent gebruikt. Uw arts zal besluiten om de behandeling stop te zetten (zie 'Als u stopt met het gebruik van dit middel' in rubriek 3). Er worden speciale prenatale controle-onderzoeken gedaan.
U mag geen borstvoeding geven terwijl u Mayzent gebruikt. Mayzent kan overgaan in de borstvoeding, waardoor er een risico bestaat op bijwerkingen voor uw baby.
De behandeling met Mayzent zal gebeuren onder toezicht van een arts die ervaring heeft met de behandeling van MS.
Gebruik dit geneesmiddel altijd precies zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste gebruik? Neem dan contact op met uw arts.
Begin van de behandeling
U krijgt een titratieverpakking waarmee uw dosis gedurende 5 dagen langzaam wordt verhoogd. Volg de instructies op de verpakking (zie ook de tabel 'Titratieverpakking').
De titratiefase is bedoeld om het risico op bijwerkingen van uw hart aan het begin van de behandeling te verlagen. Als bij u het risico bestaat dat uw hartslag trager of onregelmatig wordt, zal uw arts u nauwlettend in de gaten houden aan het begin van de behandeling.
Titratieverpakking
Dag Dosis Aantal in te nemen tabletten
Mayzent 0,25 mg
Dag 1 0,25 mg 1 tablet
Dag 2 0,25 mg 1 tablet
Dag 3 0,5 mg 2 tabletten
Dag 4 0,75 mg 3 tabletten
Dag 5 1,25 mg 5 tabletten
Op dag 6 stapt u over naar uw standaarddosis.
Tijdens de eerste 6 dagen van de behandeling wordt aanbevolen dat u de tabletten 's ochtends inneemt met of zonder voedsel.
Standaarddosis
De aanbevolen dosering is 2 mg eenmaal daags (één tablet Mayzent van 2 mg) met of zonder voedsel.
| CNK | 4166732 |
|---|---|
| Merken | Novartis |
| Breedte | 98 mm |
| Lengte | 156 mm |
| Diepte | 22 mm |
| Actieve ingrediënten | siponimod fumaraat |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |